Spirituele Astrologie

Bij het duiden vanuit het perspectief van de spirituele astrologie maak ik gebruik van de horoscoop als mandala.
De benadering heeft een directe wisselwerking met de horoscoop zoals die ik die volgens de klassieke astrologie teken en volgens de psychologische astrologie interpreteer.

De positie die de 10 spirituele punten innemen in de horoscoop geven inzichten in vragen zoals:
• Wat is de rode draad in mijn leven?;
• Hoe herken ik de zielsbeweging die ik in dit leven maak?;
• Welke diepere verlangens werken vanuit mijn onderbewuste?;
• Wat is de karakteristiek van mijn innerlijk weten?;
• Wat zijn mijn bijzondere kwaliteiten?;

In de consulten ga ik nader in op aspecten die voor jou belangrijk zijn en werk ik vanuit de vragen die je hebt.
Het gaat immers over de spirituele reis die je aan het maken bent. Zeer illustratief daarvoor is een bijzonder mooi verhaal dat bekend is als “De pelgrimstocht van de ziel” in de mooie vertaling van Henk Spierenburg. Deze is in 1998 bij Ankh‐Hermes uitgegeven.
Het is een oud Syrische vertelling die meestal wordt gedateerd in de 2de of 3de eeuw en stamt uit de vroegchristelijke of joodse gnostiek. Andere namen waaronder het geschrift bekend is geraakt zijn onder meer: “het lied van de ziel”, en “het lied van de mantel van glorie”. Het is geen gemakkelijke tekst. Het is vooral een inspirerende tekst die je aan kan zetten tot mediteren over wat er allemaal in wordt aangehaald. Veel leesplezier.

Het lied van de parel

Toen ik nog een klein kind was, woonde ik in het paleis van het koninkrijk van mijn vader, waar de overvloed en de pracht van mijn opvoeders mij verheugde. Vanuit het oosten, ons vaderland zonden mijn ouders mij op pad, voorzien van voedsel voor de weg. Uit deovervloed van onze schatkamer werd een last voor mij gemaakt, groot was deze, maar ooklicht, zodat ik hem alleen kon dragen.
Goud uit het land van Gilan en zilver uit het grote Ganzak, chalcedon uit India en opalen uit het land Kashan. Zij omgordden mij met adamant, dat zelfs ijzer kan verbreken, en zij namen de mantel der glorie van mij af, die zij in hun liefde voor mij hadden gemaakt, ook de purperen mantel, die was gemaakt naar mijn gestalte. Daarna sloten zij een overeenkomst met mij en griften die in mijn hart, opdat zij niet vergeten zou worden:

“Wanneer u naar beneden gaat, naar Egypte, breng dan de éne parel terug, liggend in de zee, die de luid‐ademende draak omringt, dan zult u de mantel der glorie opnieuw aantrekken en ook de purperen mantel die daartoe behoort, en samen met uw broeder, onze tweede, ons koninkrijk beërven”.

Ik verliet het oosten en daalde af, tezamen met twee gidsen, want de weg was moeilijk en vol van gevaren, en ik was nog te jong om alleen te kunnen gaan. Ik passeerde de grenzen van Maishan, het handelscentrum van de kooplieden van het oosten, arriveerde in het land van Babel en betrad de muren van Sarbug.
Maar toen ik verder afdaalde naar Egypte, werd ik verlaten door mijn gidsen. Daarna ging ik regelrecht naar de woonplaats van de draak, waar ik in een herberg verbleef, zodat ik, als hij sluimerde of sliep, mijn parel van hem weg zou kunnen nemen. Eenzaam en alleen was ik daar, een vreemde voor de andere gasten. Echter ontmoette ik daar een edelman, evenals ik afkomstig uit het oosten, een jonge man, vriendelijk en welgeschapen, van hoge geboorte.
Hij kwam om mij te ontmoeten. Wij spraken samen en ik maakte hem tot een vriend, aan wie ik vertelde waarom ik daar was. Hij waarschuwde mij voor de Egyptenaren, voor de omgang met deze smerige lieden.
Ik droeg namelijk dezelfde kleding als zij, zodat zij niet zouden kunnen zien dat ik van elders afkomstig was. Ik vreesde namelijk dat zij de draak zouden waarschuwen, als zij ontdekten dat ik gekomen was voor de parel. Om de een of andere reden ontdekten zij toch dat ik niet afkomstig was uit hun land. Zij misleidden mij door een list en gaven mij van hun voedsel te eten. Daardoor vergat ik dat ik de zoon van een koning was en diende hún koning. Ik vergat alles over de parel, de reden dat mijn ouders mij hadden gestuurd. Door de grofheid
van hun voedsel, viel ik in een diepe slaap.
Alles wat er was gebeurd kwamen mijn ouders te weten en het deed hun verdriet. Zij verspreidden een proclamatie in hun koninkrijk, dat eenieder naar onze poort zou reizen, zowel de koning als de hoofdlieden van Parthië, en alle prinsen uit het oosten. Daar werd besloten dat ik niet langer in Egypte mocht blijven, en zij schreven dit in een brief, waaronder ieder van de groten zijn naam zette:

“Van uw vader, de koning der koningen, en uw moeder, de vorstin van het oosten, en van uw broeder, onze tweede. Aan u, onze zoon in Egypte, wees gegroet! Sta op en ontwaak uit uw slaap, en luister naar de woorden in onze brief! Herinnert u dat u de zoon van een koning bent. Wordt u bewust van de slavernij waarin u verkeert. Denk aan de parel, de reden dat u naar Egypte bent gegaan.
Herinnert u de mantel der glorie en de purperen mantel, waarmee u zich kunt
bekleden, zodat uw naam in het boek der helden kan worden bijgeschreven, zodat u samen met uw broeder, onze plaatsvervanger, heer in ons koninkrijk kunt zijn”.

De brief die ik ontving was gezegeld met de rechterhand van de koning, als bescherming van de inwoners van Babel, de bozen en de demonen van Sarbug.

De brief vloog in de gestalte van een adelaar, de koning van alle vogels. Hij vloog, landde naast mij en werd gelijk aan het woord. Door zijn stem en het geruis van zijn vleugels ontwaakte ik uit mijn diepe slaap. Ik nam de brief en kuste hem, verbrak het zegel en las hem. Zoals was geschreven in mijn hart, zo was de inhoud van de brief. Ik herinnerde mij een koningszoon te zijn en verlangde naar de vrijheid van mijn ware aard. Ik herinnerde me ook de parel, waarvoor ik naar Egypte was gestuurd.

Toen ving ik aan hem te betoveren, de verschrikkelijke en luid briesende draak. Ik bracht sluimer en slaap over hem met het uitspreken van de naam van mijn vader, de naam van onze tweede (mijn broeder) en de naam van mijn moeder, de vorstin van het oosten. Ik nam de parel weg en keerde terug naar het huis van mijn vader. De bevuilde en onreine kleding wierp ik van mij en liet haar achter in hun land. Regelrecht ging ik naar het licht van het oosten, ons vaderland.

De brief, die mij uit de slaap had gewekt, ging vóór mij uit op mijn weg, en zoals hij mij had gewekt met zijn stem, zo leidde hij mij nu met zijn licht. In een Chinees zijden gewaad, met letters in rood geschreven, met zijn stralende gestalte vóór mij, door zijn stem en leiding bemoedigd snelde ik voort, gedreven door zijn liefde. Voort ging ik, kwam door Sarbug, liet Babel links liggen, en kwam bij de grote stad Maishan de haven van de kooplieden, gelegen aan de zee.
De mantel der glorie, die ik uitgetrokken had, en de purperen mantel waarmee ik was bekleed, werden door mijn ouders vanuit de hoogten van Warkan (Hyrcanië) tot mij gezonden, door de schatbewaarders, die vanwege hun waarachtigheid daartoe benoemd waren. Ik herinnerde mij het stralende van de mantel niet meer, ik was immers nog een kind toen ik het huis van mijn vader verliet. Maar op het moment dat ik de mantel zag, werd hij gelijk aan mijn spiegelbeeld. Ik zag hem als behorende tot mijzelf en zag mijzelf ook daarin,
zodat wij twee waren in verscheidenheid, maar weer één van gestalte. Ook de
schatbewaarders die de mantel brachten, zag ik op die wijze, namelijk dat zij twee waren maar van één gestalte, want het teken van de koning was op hun beiden aangebracht.
Degene op wiens last de mantel, de rijkdom en de overvloed werd teruggegeven, namelijk, mijn kleurige mantel der glorie, versierd met goud en berylium, met chalcedon en opalen, met veekleurige sardonyxen, ook deze gemaakt in de hoogste der huizen. Met stenen van adamant waren de delen van de gordel samengevoegd. Het beeld van de koning der koningen, was op alle plaatsen zichtbaar, in blauw gevat, als saffierstenen. Voorts zag ik de stralen der kennis uit hem voortkomen, ook zag ik dat deze werden omgevormd tot woorden.
Ik hoorde de klank van zijn liederen toen hij afdaalde:

“Ik behoor tot de moedigste der dienaren, het was om die reden dat ik opgroeide met de Vader. Ook bemerkte ik bij mijzelf dat mijn gestalte meegroeide met zijn werken”.

Met koninklijke bewegingen bewoog hij zich naar mij, zich uit de handen van de brenger haastend, ook bij mij ontsprong de liefde om hem tot mij te nemen, naar hem toe te gaan om hem te ontvangen. Ik strekte me naar hem uit en ontving hem, met de schoonheid van zijn kleuren werd ik omkleed.
Bekleed met mijn stralend‐kleurige mantel steeg ik op naar de poort van begroeting en verering. Ik boog mijn hoofd ter ere van de stralende vader die hem naar mij gezonden had, wiens bevel ik had gehoorzaamd, en die zich hield aan zijn belofte aan mij. Bij de poort van zijn dienaren, mengde ik mij onder zijn prinsen. Hij verheugde zich over mij en ontving mij, en zo was ik met hem in zijn koninkrijk, waar alle dienaren zijn lof zongen. Hij beloofde mij dat ik samen met hem naar de poort van de koning der koningen zou gaan, en dat wij bekleed met mijn gift en met mijn parel samen voor de koning zouden verschijnen.